De
Nederlandse overheid trekt zich steeds
meer terug en laat de verbetering van
de positie van vrouwen steeds meer over
aan burgers en het bedrijfsleven. Met het
aantreden van de regering Balkenende
in 2002 is er in feite geen overkoepelend
emancipatiebeleid gevoerd. Subsidies
voor vrouweninstellingen en -organisaties
zijn stopgezet of omgebogen, waardoor de
ondersteuningsstructuur ernstig is ondermijnd,
zo niet verdwenen.
De regering negeert willens en wetens
onder meer het VN-Vrouwenverdrag (CEDAW)
en de afspraken van Beijing ter verbetering
van de positie van vrouwen. Hierin
staat duidelijk omschreven dat regeringen
ervoor moeten zorgen dat vrouwen op gelijke
voet met mannen het recht |
hebben
te stemmen,
verkiesbaar te zijn en openbare
functies te vervullen. Maar de Nederlandse
regering laat een politieke partij waarin
vrouwen zich niet verkiesbaar mogen
stellen, de Staatkundig Gereformeerde
Partij (SGP), ongemoeid. Zij subsidieert
deze partij zelfs, hoewel het CEDAW Comité deze
discriminatie van vrouwen heeft beoordeeld als een schending
van
het VN-Vrouwenverdrag. Dit comité heeft
Nederland hierop aangesproken.
Internationale verdragen zijn niet vrijblijvend.
De regering heeft zowel de juridische
als morele verplichting om de afspraken
na te komen, waaraan zij zich door ondertekening
van deze verdragen heeft gebonden.
Ngo’s kunnen een essentiële rol spelen
om de regering hierop te wijzen. |