In Nederland
heeft 55 procent van de vrouwen
betaald werk (2003). Daarmee verdienen
ze niet altijd genoeg om het predikaat
economisch zelfstandig te krijgen. Dat
wordt nu gedefinieerd als een inkomen uit
arbeid van minimaal 70 procent van het
minimumloon. 41 Procent van alle vrouwen
is economisch zelfstandig (2001).
Vroeger definieerden regering én vrouwenorganisaties
economische zelfstandigheid
als enerzijds zorgzelfstandigheid (zorg
voor zichzelf en anderen) en anderzijds
financiële zelfstandigheid (ten minste 70
procent minimumloon) uit arbeid of loonvervangende
uitkering. Die combinatie is
essentieel, want veel vrouwen hebben een
kleine deeltijd- of flex-baan omdat zij betaald
werk moeten combineren met zorgtaken.
Doordat (hoge) kinderopvangkosten
gekoppeld zijn aan het gezinsinkomen,
waarin de vader meestal het meeste verdient,
gaan moeders vaak minder werken. Kwalitatief
goede gratis kinderopvang is de
beste stimulans voor arbeidsparticipatie en
financiële zelfstandigheid van vrouwen. |
Ondanks de toenemende arbeidsparticipatie
vormen vrouwen een steeds groter deel
van de ‘erkende armen’. 200.000 Alleenstaande
ouders hebben een laag inkomen.
Voor veel alleenstaande vrouwen met kinderen
is gratis kinderopvang niet genoeg.
Werkende alleenstaande ouders met een
laag inkomen uit arbeid (minder dan 125
procent van het minimumloon) moeten
een aanvullende uitkering krijgen.
Het is de vraag of alle werkende vrouwen
beloond worden naar het uit 1951 daterende
principe ‘gelijk loon voor gelijkwaardig
werk’. Vaker dan mannen doen ze niet
mee met een pensioenregeling. Vrouwen
verdienen vergeleken met mannen gemiddeld
23 procent minder per uur in hetzelfde
functieniveau. Deze loonkloof moet,
eindelijk, aangepakt worden. |